Er is een beweging die in organisaties zo vanzelfsprekend verloopt dat ze bijna niet opvalt. Wanneer een plek zwaar wordt voor wie erin staat, ligt de oplossing vaak al klaar voordat de vraag goed gesteld is. Niet de plek wordt onderzocht, maar de persoon wordt verplaatst. Het heet dan herstel, of rust, of een omgeving met minder prikkels. In die woorden klinkt zorg door, en juist dat maakt het lastig om te zien wat er werkelijk gebeurt.
Verplaatsen en oplossen zijn namelijk niet hetzelfde. Wie wordt weggehaald uit een situatie die schuurt, voelt op de korte termijn misschien lucht. Maar de situatie zelf blijft staan waar ze stond. De bron wordt niet aangeraakt. En dat betekent dat het probleem niet is opgelost, alleen verschoven naar de enige plek waar het zich makkelijk laat verschuiven: de mens die erin zat.
Het venijn zit in het moment dat zelden hardop wordt benoemd. Want aan elke verplaatsing zit een terugkeer vast. Er komt een dag waarop iemand weer op die plek staat. En als er in de tussentijd niets aan de omgeving is veranderd, dan is er niets om naar terug te keren. De plek heeft gewacht, precies zoals ze was. Wat als zorgvuldige opbouw werd gepresenteerd, blijkt dan uitstel te zijn geweest van een gesprek dat nooit is gevoerd.
Hier ligt een aanname onder die de moeite van het uitspreken waard is. De aanname dat veiligheid een toestand is in de persoon. Iets dat iemand elders kan opbouwen en vervolgens kan komen meebrengen, als bagage. Maar zo werkt het niet. Veiligheid op een plek wordt door die plek gedragen, of niet. Ze ontstaat in de manier waarop een omgeving met mensen omgaat, in wat er wel en niet wordt toegelaten, in de vraag of er iemand opstaat wanneer het onveilig wordt. Dat is geen eigenschap die je in een individu kunt repareren en daarna kunt terugplaatsen. Het is een verantwoordelijkheid die ergens belegd hoort te zijn.
En daarmee komt het woord op tafel dat in dit soort trajecten opvallend vaak ontbreekt. Verantwoordelijkheid. Zolang de vraag luidt waar iemand het beste kan herstellen, gaat het over die persoon en over diens belastbaarheid. De omgeving blijft buiten beeld. Pas wanneer de vraag wordt omgedraaid, wat er nodig is om die plek veilig te maken, komt in zicht wie er eigenlijk iets te doen heeft. Die omkering is ongemakkelijk, want ze legt de last terug waar ze hoort, en dat is doorgaans niet bij degene die hem het meest heeft gevoeld.
Het patroon is in de kern een omkering. Een vraagstuk dat in de organisatie thuishoort, wordt tot een vraagstuk van een persoon gemaakt. En zolang die omkering niet zichtbaar wordt, blijft ze zichzelf herhalen, met steeds een nieuwe persoon in het midden. Het zichtbaar maken ervan verandert nog niets aan de bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen. Maar het verandert wel iets aan waar de last komt te liggen. Want als een omgeving ervoor kiest om niets te dragen, dan mag dat op zijn minst zichtbaar haar keuze zijn, en niet langer het stille tekort van wie erin stond.

