Er is een moment dat iemand hoort dat het bijna voorbij is. Niet als vraag, maar als mededeling. Het proces loopt ten einde, er wordt een gesprek ingepland, het is tijd om af te ronden. De woorden klinken zorgvuldig, misschien zelfs vriendelijk. Maar in de formulering zit iets dat nauwelijks opvalt: er wordt niet gevraagd of degene in het midden er ook klaar voor is.
Dat is het moment waarop twee werkelijkheden zichtbaar worden die zelden openlijk worden benoemd. De organisatie heeft een ritme. Dat ritme heeft zijn eigen gereedheid, zijn eigen logica van stappen en fasen en uitkomsten. En op een gegeven moment, om redenen die soms helder zijn en soms niet, bepaalt dat ritme dat het tijd is. Hoog tijd, zelfs.
De persoon om wie het gaat heeft ook een ritme. Maar dat ritme volgt niet de fasen van het proces. Het volgt de vragen die nog open zijn, de momenten waarop iets gezegd had moeten worden maar niet gezegd werd, de beloften die werden gedaan en vervolgens stil bleven. Het volgt ook het lichaam, dat maandenlang in een toestand van waakzaamheid heeft verkeerd en niet zomaar vergeet hoe dat voelde. Dat ritme heeft zijn eigen tempo. En dat tempo valt zelden samen met dat van de organisatie.
Wat er gebeurt in de ruimte tussen die twee ritmes, blijft grotendeels onbenoemd. Een traject wordt formeel afgesloten. Er is een uitkomst, een conclusie, misschien een aanbeveling. Het dossier sluit. Voor de organisatie is daarmee iets voltooid. Maar voltooiing is niet hetzelfde als herstel. Een procedure kan eindigen terwijl de vragen van de persoon die het heeft doorlopen nog volop aanwezig zijn. Niet als verzet, niet als onwil, maar omdat die vragen gewoon niet beantwoord zijn.
Dat is geen bijzondere situatie. Het is eerder een patroon dat bijna onvermijdelijk is wanneer een proces primair wordt ingericht vanuit de logica van het systeem. Systemen zijn gemaakt om te besluiten, te ordenen, te concluderen. Ze zijn minder gemaakt om te voelen wanneer iemand nog midden in iets zit.
Er zit iets merkwaardigs in de formulering ‘het is hoog tijd’. Hoog tijd suggereert een urgentie, een grens die bereikt is. Maar voor wie is die grens bereikt? Het antwoord op die vraag wordt zelden hardop gesteld, misschien omdat het antwoord ongemakkelijk is. De grens is bereikt voor het systeem. Voor de agenda, de planning, de verwachting dat zaken niet te lang open mogen blijven liggen. Niet per se voor de persoon die het traject heeft doorlopen en die mogelijk nog staat te wachten op iets wat nooit is uitgesproken. Iets kleins, soms. Een erkenning. Een moment waarop iemand vraagt: hoe is het met je?
Misschien is dat precies wat een afronding zo moeilijk te grijpen maakt. Het woord klinkt wederzijds, maar de beweging is eenzijdig. Iemand beslist dat het klaar is. En de ander loopt weg uit een gesprek dat officieel het einde markeerde, met de wetenschap dat er iets is afgerond, maar zonder het gevoel dat er iets is afgesloten. Met nog iets achter de ribben dat geen naam heeft gekregen, en dat nu nergens meer naartoe kan.

