DoorZien

Voor wie de moed heeft om echt te kijken


Projectie

Is het je weleens opgevallen hoe snel spanning in organisaties een persoonlijk gezicht krijgt? Niet alleen bij grote besluiten of zichtbare koerswijzigingen, maar juist ook in het alledaagse: bij veranderende structuren, bij nieuwe verwachtingen of bij lastige gesprekken. Ze beweegt door lijnen, functies en verhoudingen, totdat ze ergens kan landen.

En zelden landt zij in het systeem zelf.

Systemen kennen meerdere lagen: beleid, organisatie, teams, individuele rollen, verwachtingen van buitenaf. Elke laag genereert eigen spanningen, verlangens en frustraties. Wanneer die lagen elkaar raken, ontstaat wrijving. En die wrijving zoekt een uitweg. Vaak via degene die het knooppunt vormt. De persoon die besluiten communiceert. De persoon die grenzen stelt. De persoon die bemiddelt tussen belangen.

Psychologisch gezien is dat goed verklaarbaar. Mensen hebben de neiging om gedrag van anderen vooral toe te schrijven aan hun persoonlijkheid, hun intenties of hun houding, terwijl zij hun eigen gedrag eerder verklaren vanuit omstandigheden en context. In de psychologie staat dit bekend als de fundamentele attributiefout. Het is een denkreflex die maakt dat we complexe situaties personaliseren. In plaats van spanning toe te schrijven aan structuren, processen of besluitvorming, richten we onze aandacht op degene die zichtbaar is in de beweging. Teleurstelling krijgt een gezicht. Onmacht een adres. Frustratie een bestemming.

Dat mechanisme heet projectie.

Projectie is geen bewuste keuze. Het is een menselijke reflex. Wanneer complexiteit te groot wordt, zoeken we een concreet ankerpunt. Iemand die we kunnen aanspreken. Iemand die nabij is. Iemand die het geheel vertegenwoordigt. Dat maakt de werkelijkheid overzichtelijker en beter hanteerbaar. In die zin is projectie begrijpelijk.

Maar in organisaties krijgt dit mechanisme een extra lading.

Omdat projectie zich niet alleen richt op personen, maar vooral op rollen. Rollen die spanning dragen, worden dragers van betekenis. Niet alleen van hun eigen handelen, maar ook van alles wat in het systeem geen plek krijgt. Teleurstelling, onzekerheid, boosheid en verwachting hechten zich aan degene die het meest zichtbaar is in de dynamiek. Zo verschuift de aandacht langzaam. Van structuur naar gedrag. Van proces naar persoon. En soms zelfs van systeemvraag naar functioneringsvraag. De grens tussen rol en persoon vervaagt. Wat professioneel bedoeld is, wordt geïndividualiseerd. En daarmee wordt niet alleen het gesprek complexer, maar ook de positie van degene die de rol vervult kwetsbaarder.

Ik denk niet dat de vraag is hoe we projectie kunnen voorkomen, maar hoe we haar leren herkennen. Hoe we onderscheid maken tussen wat bij een persoon hoort en wat bij het systeem. Tussen wie iets draagt en waar het eigenlijk vandaan komt. Misschien begint dat met één eenvoudige beweging: niet direct reageren, maar eerst even kijken. En onszelf de vraag stellen of wat we zien werkelijk over die ander gaat, of over een patroon dat zich via hem of haar laat zien.